woensdag 11 januari 2012

Ecuado – Colombia, 10 januari

Ecuado  – Colombia, 10 januari 

Aanvulling
Maandag 9 januari hadden wij een vrije dag in Quito, een rustig dagje waarop ik de ochtend heb gebruikt om mij administratie bij te werken, een klus waar je op deze dagen gewoonweg niet aan toe komt.
Voor ’s middags was ik uitgenodigd bij Veronica thuis. Zij kwam mij in het hotel ophalen en we reden naar de bovenrand van Quito waar Veronica met Remko woont. Remko was,zoals eerder gezegd, in Nederland. Ik leerde de ouders van Veronica kennen. Haar vader is bewaker van de zendmasten van radio Quito, een belangrijke radiozender in Ecuador.  Lieve en hartelijke mensen. Ik kreeg Ecuatoriaanse ceviche (visschotel) te eten. Ceviche is in Peru een heel bekend visgerecht. In Ecuador maken ze het echter heel anders klaar, hier krijg je veel grote garnalen met een soort tomatensaus, heel anders dan de ceviche in Peru, ik moest er even aan wennen maar na een paar happen is het toch best heel aangenaam.
Het begon flink te onweren en dan moet man en macht in de weer om bij inslag van allerlei noodgrepen uit te voeren. Mijn bezoek werd dan ook plots door dit noodweer afgebroken.
Dinsdag 10 januari reden we op 6 uur weg uit Quito, we wilden vroeg bij de grens zijn om de deelnemers bij eventuele problemen te kunnen ondersteunen. Een wijs besluit maar dat zouden we pas later op de dag ervaren.
Eerst stopten we onderweg nog bij een monument op de evenaar, een van de punten in Ecuador waar de exacte evenaar gemarkeerd is. Samen met nog vier andere deelnemers stopten we bij het monument. Het monument zelf stelde niet veel voor maar het idee om daar op de absolute nullijn te staan en deze met de auto te passeren, was wel aardig.

De volgende stap was in Otavalo, het Pisaq van Ecuador. Otavalo staat bekend om zijn inheemse gemeenschap, in Europa zijn de jongens vaak te vinden als straatmuzikant, veelal onterecht aangezien voor Boliviaanse muzikanten. Otavalo is eens stadje waar de toeristen niet aan voorbij kunnen gaan en wij moesten dan ook even naar het centrale plein waar de dagelijkse markt gehouden wordt. Het eerste dat mij opviel was dat er enorm veel producten verkocht worden die in Cusco en dan vooral in Pisaq ook verkocht worden, dezelfde kleden, de zelfde truien, de zelfde schaakspelen. We waren vroeg en we kregen dan ook direct het grootste verschil tussen Pisaq en Otavalo te zien. In Pisaq rijden de mensen hun koopwaar met eenvoudige handkarren naar de markt. In veel gevallen worden groten pakken door speciale dragers naar de verkoopplek gesjouwd. In Otavalo komen de verkopers met nieuwe 4x4 wagens aanrijden, laden de pakken met verkoopwaar uit en rijden de SUV weer uit het zicht. De mensen uit Otavalo zijn altijd goed handelslui geweest en dat was nu op de makt ook weer heel goed te zien.
We waren rond 12 uur bij de grens. Daar stond al een enorme rij voor het douanekantoor, op zijn minst honderd personen stonden geduldig hun beurt af te wachten.
 Volvo kreeg een voorkeursbehandeling en alle aanwezige deelnemers gaven hun paspoort af zodat dit via en achterdeurtje sneller geregeld kon worden. De voorkeursbehandeling zou echter anders uitpakken. Om de haverklap kregen we – via het zelfde achterdeurtje – pasoorten terug die niet in het systeem stonden. Kort gezegd kwam het er op neer dat deze personen bij binnenkomst in Ecuador wel een stempel in hun paspoort hadden gekregen maar niet waren ingevoerd in het computersysteem van de douane. Raar, om een stempel in je paspoort te kunnen krijgen geef je je paspoort af aan een douane beambte, je gaat er dan vanuit dat hij ook je persoonsgegevens in de computer invoert. Ik kon me dan ook niet voorstellen dat dit werkelijk het probleem was. Na uren gepuzzel en na een aantal telefoontjes naar de grensplaats waar we vier dagen eerder Ecuador binnen waren gekomen, bleek dan ook dat de vork iets anders in de steel zat. Bij het invoeren van de persoonsgegevens in de computer bij deze grens met Colombia werden eerder ingevoerde gegevens door het systeem niet herkend, simpelweg omdat de arme douanebeambte bij binnenkomst een hoop fouten had gemaakt in het overtypen van namen en paspoortnummers. Wat kon je de arme man ook verwijten? Hij had die dag in zijn eentje gedaan wat een heel team normaal gesproken in een maand doet, hij had 180 rare Nederlandse namen in moeten voeren, en dat terwijl hij bij de computerlessen nog in het pakket pre-basic zat.
Het duurde uren voor alle fouten in gegevens via de telefoon gecorrigeerd waren. Ik had geen problemen met mijn pasoort en stond om 1 uur al weer bij de auto. Op het parkeerterrein stonden zeker 60 Nederlandse auto’s die langzaam maar zeker, één voor één weg konden rijden. Ik zocht een kop koffie en vond een groep zeer onguur uitziende jongeren die erg veel belangstelling hadden voor de Nederlandse Volvo’s. Het leken mij geen echte cultuurliefhebbers en ik was bang dat de belangstelling dan ook meer ging naar de inhoud dan naar de Volvo’s zelf. Ik besloot bij de auto’s te blijven en liep een rondje. Bij controle bleek dat een paar auto’s niet afgesloten waren en dat bij andere auto’s een klapraampje open stond waardoor je heel eenvoudig de deur open kon maken.
Het was niet mijn verantwoordelijkheid, we hadden de mensen al vaak gewaarschuwd voor het feit dat zij veel te nonchalant met de auto’s en de spullen omgingen. Tot op heden was er in de hele reis nog maar één auto opengebroken waarbij ook nog eens belangrijke papieren waren gestolen. Op zichzelf mogen we niet klagen, we hadden al 12.000 kilometer met 80 auto’s door Zuid Amerika gereden, zelfs in Europa was de schade waarschijnlijk al hoger geweest. Ik wilde de auto’s echter niet aan het museumpubliek achterlaten en besloot te blijven. Uiteindelijk stonden we hier wel aan de grens van Colombia en dat was voor de meeste mensen toch wel extra spannend. Dat je dan Ecuador ook nog niet uit mag omdat je niet in het systeem staat, omdat je volgens het systeem niet binnen bent gekomen en er daarom ook niet uit mag, tja dan kan ik me voorstellen dat de auto even wordt vergeten. Het waren op zich geweldig aardige jongens, ze bleven maar om mee heen draaien en bleven vriendelijk naar mij glimlachten. Ik glimlachte vriendelijk terug maar deed net of ik hun Spaans niet begreep, zo hielden we de conversatie ten minste duidelijke en konden er geen misverstanden ontstaan.
Ik stond daar te lang, ik begon kramp in mijn kaken te krijgen van het glimlachen. En ik was er nog steeds niet achter of ik in het Ecuatoriaans of in het Columbiaans moest glimlachen. Gelukkig spreken ze in beide landen een soort Spaans zodat ze mij toch begrepen, althans daar leek het op.
Er kwamen steeds meer mensen hun auto ophalen en toen er een hele club aan kwam, die ook nog samen oprijdt heb ik hen gevraagd mijn taak over te nemen. Ik heb hen opgedragen vooral te glimlachen naar de Volvoliefhebbers en ik denk dat ze dat goed gedaan hebben, we zijn uiteindelijk allemaal zonder kleerscheuren de grens over gekomen.
Aan de Colombiaanse kant van de grens ging het heel wat efficiënter en daarmee ook sneller. Toch had het allemaal lang genoeg geduurd om de zon achter de bergen te krijgen. Het was donker toen de laatste deelnemers de grens over gingen.
Ik had van te voren gevraagd hoe lang de rit van de grens naar Pasto zou zijn. In Pasto zouden we overnachten. Volgens de personen die ik gevraagd had moesten we nog zeker drie uur rijden. Toen we de grens over kwamen stond er een bord met “Pasto 84 kilometer”. Ik blij want dat gingen we dus mooi sneller doen. Mooi niet dus, we deden er dik drie uur over. Ik was als laatste gaan rijden. Ik wilde er zeker van zijn dat we niemand bij de grens achter zouden laten. Direct na de grens stond echter een hele colonne Volvo’s op mij te wachten. Niemand voelde zich prettig bij het idee om ’s nachts in het donker Colombia in te rijden. Ik ook niet. Het was een goed idee van de mensen om te wachten en samen het laatste stuk af te leggen. Ik moest voorop. Ik was nog noot in Colombia geweest maar ik werd gezien als een halve Zuid Amerikaan en mocht dus als schietschijf voorop.  Daarbij had ik de mooiste auto en dat gaf hen mooi dekking daar achter mij.
Het werden dik drie uur tot aan Pasto. De weg was vanaf de grens in een keer veel smaller en hing van haarspeldbochten aan elkaar. We reden stapvoets, soms 40 maar soms ook maar 20 kilometer per uur. De weg was vol met grote vrachtauto’s die de bochten en de heuvels niet snel konden nemen. We zaten er achter en bleven er achter. Als ik een vrachtwagen in wilde halen dan moest ik mij bewust zijn van de schare Volvo’s die achter mij reed. Zij moesten ons op de een of andere manier bij kunnen houden of op zijn minst de aansluiting weer snel kunnen maken. We hadden achter de eerste de beste vrachtwagen kunnen blijven hangen maar dan zouden we de nacht in Pasto missen en dat zou jammer zijn. Er was voor de kamer en het eten betaald en we moesten de volgende dag ook weer vroeg op om de rit naar Cali te doen. We gingen dan ook vrachtwagen inhalertje spelen, het leek wel een spelletje, een tikspelletje dat we vroeger deden. Je moest dan een hele sliert van andere kinderen met je meetrekken en niemand mocht loslaten, dan was je af.
Het was tien uur voor we Pasto inreden en toen we bij het hotel aankwamen zag ik pas hoeveel auto’s ik in mijn sleep mee had genomen. Maar goed dat ik dat niet eerder wist! Wat we in het donker van Pasto zagen zag er niet aantrekkelijk uit, een afgeleefd koloniaal stadje. Ik zag meten dat de overnachting in deze plaats niet in het programma was opgenomen vanwege het stedelijk schoon. Om over sociale activiteiten maar helemaal niet te spreken. Een van de deelnemers wilde nog geld pinnen en volgens de receptie van het hotel was dat geen probleem, het was maar drie straatjes verder maar hij moest wel met een taxi gaan en liever ook niet alleen gaan.  Hij zag er wijselijk van af.
We kregen een groot bord met goed eten, een biertje er bij en het bed in. Internet was er niet dus had ik een goede reden.






Geen opmerkingen:

Een reactie posten